|
J.G Hoetjer (1870-1909); Firma J.G. Hoetjer (1909-1940); Hoetjer N.V.
(1940-1972); Hoetjer B.V. sinds 1972; Interview 1954.

Na het uittreden van Jakob
Hoetjer uit de firma Hoetjer en Koops,waarin ondergebracht de hout en
steenhandel, het landbouwbedrijf,de leerlooierij en de rederij,
verhuisde hij van het Boven Westerdiep naar het Beneden Oosterdiep in
Veendam. Daar had hij op 24 december 1869 van Jan Derks Hoen, kassier en
commissionair in effecten te Hoogezand, aangekocht "een behuizing,
met erf en open grond, staande en gelegen aan het (Beneden)Oosterdiep
landszijde te Veendam, bekend op de kadastrale plans dier gemeente in
sectie K nummers 157 huis groot drie roeden vijftig ellen en 157bis
groot elf roeden veertig ellen, tezamen alzoo groot veertien roeden
negentig ellen, zijnde vrije grond en vrij van alle hoe ook genaamde
klaplusten... voor 1200 gulden".
Dat gedeelte van het Oosterdiep
heette later de Veenkade, dan weer het Beneden Oosterdiep. Meer naar het
centrum van Veendam was aan dezelfde kant de Havenkade en de
Blankensteinkade. Aan de overkant van het diep wegzijde lag de Postweg.
Sinds 1968 zijn de beide zijden van het gedempte Oosterdiep het Beneden
Oosterdiep genaamd. Jan Hoen kocht bij onderhandse akte, gedateerd
Veendam 31 mei 1862, van de scheepstimmerman Jan Pik en zijn vrouw
Harmke Nieboer "eene behuizinge, geteekend letter D numero 337, met
erf, tuin en scheepstimmerwerf, waarop eene langhelling en
scheepstimmerschuur, staande en gelegen aan het (Beneden)Oosterdiep te
Veendam, oostzijde(landzijde), in den perceelsgewijzen kadastralen
ligger der gemeente Veendam te vinden in sectie K de Molen, numero 157
huis groot drie roe vijftig el, en numero 157bis, scheepstimmerwerf en
bergplaats groot elf roe veertig el".
Op 3 oktober 1859 had Jan Pik
ten behoeve van Jan Hoen,toen houthandelaar in Hoogezand, een hypotheek
verleend op zijn eigendom wegens een afgesloten lening groot 1100
gulden. Aangezien naderhand Jan Pik zijn verplichtingen niet meer kon
nakomen - de scheepsbouw was op zijn retour - moest hij zijn scheepswerf
verkopen.
Op hun beurt hadden Jan Pik,
scheepstimmerman te Veendam en "diens verloofde bruid" Harmke
Jans Nieboer, zonder beroep wonende te Duurkenakker gemeente Muntendam
op 8 april 1852 van Aaltje Douwes Burema, weduwe Roelf Jans Giezen, eigenaresse wonende te Muntendam en kinderen voor 2500 gulden gekocht
"eene behuizinge gemerkt met het verpondingsnummer 337 met den
tuin, de daarop staande scheepstimmerschuur, erf en grond aan het
(Beneden)Oosterdiep landzijde te Veendam...sectie K numero 157 huis
groot drie roeden vijftig ellen en numero 157bis scheepstimmerwerf en
bergplaats groot elf roeden veertig ellen, zijnde vrije grond door Roelf
Jans Giezen voor de firma R.J.Giezen en Zoon aangekocht".
Roelf J.Giezen
was koopman en de eerste burgermeester van Muntendam(1812-1844). Zijn
broer Tjark was koopman en de eerste burgemeester van Veendam
(1813-1848).
J.G.Hoetjer 1870-1909.
Op 24 december 1869 richtte
JAKOB HOETJER zich in een brief "aan heeren Burgemeester en
Wethouders van de gemeente Veendam" als volgt: "Geeft
eerbiedig te kennen de ondergeteekende Jakob Gerrits Hoetjer, van beroep
koopman, wonende te Veendam. Dat hij voornemens (is) op het j perceel
sectie K no 157 en 157bis aan den oostkant van het (Beneden) Oosterdiep
te Veendam eene leerlooierij op te rigten zich door deze tot U Edel
Achtbaren wendt met verzoek dat het U Edel Achtbaren behage de tot die
oprigting noodige vergunning te verleenen. 't Welke doende
J.G.Hoetjer".

Eventuele bezwaren tegen die oprichting
konden bij het College van B en W worden ingediend. Abraham Mulder Azn,
landgebruiker te Veendam "als naastbelendende bewoner" had
geen ander bezwaar dan "dat hij vreesde, dat het water in de wijk
door de werkzaamheden van de looierij zou bederven en voor het vee
onbruikbaar worden, dat hij uit de wijk moet drenken, wanneer het op
stal is".
De weduwe Roelf Lammerts Mulder had hoegenaamd geen
bezwaar." B en W van Veendam deelden bij besluit van maandag 3
januari 1870 aan Jakob Hoetjer het volgende mede: "Is goedgevonden
te vergunnen om daar te stellen en uit te oefenen eene leerlooijerij
onder voorwaarde van geene vellen en verdere objecten van de looijerij
afkomstig in het diep te mogen spoelen". Aanvankelijk was de
leerlooierij in de oude scheepstimmer- schuur ondergebracht. Er waren 7
kuipen en 1-3 knechten waren er werkzaam. In 1875 werd de schuur
afgebroken.
Daarop en op de open plaats werd de leerlooierij met de
winkel, kantoor, enzovoorts gesticht. In gewijzigde vorm kan men deze en
de gebouwen 1895 en 1900 aan het huidige gedempte Beneden Oosterdiep
86-88 zien staan.
| foto omstreeks 1900 |
 |
Omstreeks 1880 verrezen de
huidenzouterij en een schuur (gebouw 1880). De schuur vormde het begin
van de latere nieuwe leerlooierij, in fasen voltooid in 1920. Op het
uiteinde van het looierij terrein aan de oostkant en langs de wijk naar
het (latere) Spoordok was de huidenspoelplaats of huidengat. Deze was
ruim twee meter diep en omringd door een dijk. In 1895 werd de oude
scheepswerfwoning vervangen door het leerlooierijwoonhuis (gebouw 1895).
Het staat op de hoek van het inmiddels gedempte Oosterdiep en de wijk
naar de Spoorhaven.
De oude leerlooierij werd in 1900 uitgebreid door
aanbouw. "Leerlooijer en drijfriemenfabrikant Jakob Gerrits Hoetjer
geeft aan het Edel Achtbaar Bestuur der gemeente Veendam bescheiden te
kennen, dat hij zijne fabriek te Veendam wenscht uit te breiden, dat
binnen den afstand van 200 meter van de fabriek geene kerk, school of
dergelijke inrichting voorkomt, dat hij U Ed. A. beleefd verzoekt tot de
voorgenomen uitbreiding vergunning te verleenen. 't Welk doende
J.G.Hoetjer, Veendam den 7 maart 1900. Uit de bij gesloten beschrijving
kunnen we lezen, dat "de bestaande leerlooijerij en
drijfriemenfabriek door bijbouw aan de westzijde zal worden uitgebreid.
Het bij te bouwen gedeelte zal lang worden 10.50 meter en breed 4 meter
en is bestemd de onderverdieping voor werkplaats ten dienste van de
drijfriemenfabriek; de bovenverdieping voor drogerij ten dienste, van de
leerlooijerij. Het gebouw wordt opgetrokken van steen en hout en gedekt
met pannen. Stoomkracht' wordt gebezigd". Verder verklaarde Jakob,
dat "zijne leerlooijerij en drijfriemenfabriek is eene inrichting
in den zin der Veiligheidswet". ,
Gebouw 1875 en 1900 samen is lang
25.50 meter. Gebouw 1875 I is breed 13 meter, gebouw 1900 is breed 4
meter. Sinds de invoering van de Hinderwet in 1875 moeten nieuwe
bedrijven, uitbreidingen, verbouwingen, enzovoorts daarvan aan die wet
worden getoetst. Tijdens de zitting van B en W van 29 maart 1900
"in het gewone lokaal onzer vergaderingen in het gemeentehuis"
kon men mondeling zijn bezwaar kenbaar maken. Er verschenen geen mensen,
evenmin waren er schriftelijke bezwaren ingediend. Derhalve konden B en
W bij besluit van 31 maart 1900 bekend maken: "goedgevonden den
verzoeker en zijne rechtverkrijgenden vergunning te verleenen (tot) de
uitbreiding en exploitatie van de drijfriemenfabriek". Gebouw 1880
werd in 1908 uitgebreid door aanbouw.
In 1914 vond daarin en daarbij
enige verbouwing en uitbreiding plaats. Het terrein van de leerlooierij
was nu nagenoeg volgebouwd met schuren en kuipen. Het perceel gelegen
aan de noordzijde van de leerlooierij, bestaande uit "een behuizing
met erf en tuin aan het (Beneden) Oosterdiep landzijde te Veendam,
sectie K 156 groot 6 are 60 centiare en K 852 voor het geheel groot 4
are 60 centiare, gedeeltelijk voor 2 are 60 centiare, alzoo tezamen
groot 9 are 20 centiare" werd op 4 april 1906 door Jakob Hoetjer
van Folkert, Jan Frederik, Volkert Jan Arnold. en Hendrik Jan Wilkens,
allen fabrikant en koopman te Veendam, tezamen enige vennoten van de
Handelsvennootschap onder de firma K. en J. Wilkens te Veendam voor 2500
gulden aangekocht. Het onroerend goed van de leerlooierij had haar
grootste omvang bereikt. Pas in 1966 zou het worden gehalveerd.
Op 5 april 1909 verkocht Jakob Hoetjer
voor 10.000 gulden aan zijn beide zonen de leerlooiers en
drijfriemenfabrikanten Gerrit en Jan Jakob Hoetjer, handelende onder de
firma J.G.Hoetjer te Veendam "twee behuizingen met leerlooierij en
verder getimmerten, erf en tuin aan het Beneden Oosterdiep landzijde te
Veendam, sectie K 89J., 1170, 156 en 852 met uitzondering van die
gedeelten van de kadastrale percelennummers 1170 en 891 respectievelijk
groot 4 are 10 centiare en 2 are 70 centiare als bij vonnis van de
Arrondissementsrechtbank van Winschoten zijn onteigend ten behoeve van
de Noordooster Locaal Spoorwegmaatschappij te Zwolle en welke gedeelte
bij die maatschappij bekend zijn onder grondnummers 70 en 70b, blijvende
het bij deze acte verkochte alzo groot 22 are 80 centiare".
Als rentenier verhuisde Jakob Hoetjer
naar de Blankensteinkade, alwaar hij in 1911 is overleden. Het jaar
daarop overleed zijn vrouw Geesjen Bakker.
Firma J.G.Hoetjer 1909-1940.
Even voor de hierboven plaatsgevonden
verkoop en overdracht van de fabriek werd op 30 maart 1909 voor W.Boer,
notaris te Veendam, een akte verleden, waarin "tusschen de heeren
Gerrit Hoetjer en Jan Jakob Hoetjer, fabrikanten te Veendam (is)
aangegaan eene vennootschap onder de FIRMA J.G.HOETJER, welke is
gevestigd te Veendam en zich ten doel stelt het exploiteeren van eene
leerlooierij en het fabriceeren van drijfriemen, het koopen van de
daarvoor benoodigde grondstoffen en het verkoopen der verkregen
producten, alsmede het drijven van handel in aanverwante artikelen. De
vennootschap is aangegaan voor onbepaalden tijd, aangevangen 1 januari
1909". Jan Jakob betrok het woonhuis bij de leerlooierij. In 1910
trad hij in het huwelijk met Hillechiena Smit van hotel "de
Nederlanden" in Wildervank.
Gerrit woonde sinds zijn huwelijk met
Mensiena Prummel in 1902 tegenover de leer looierij aan de Postweg
(Beneden)Oosterdiep wegzijde.
In tegenstelling tot de meeste (inmiddels
verdwenen) leerlooierijen is die van J.G.Hoetjer zich vanaf de
oprichting gaan toeleggen op de fabricage van lederen drijfriemen. Ook
werden er wel andere lederen producten vervaardigd. Tot in de eerste
helft van de 20ste eeuw werden er vele tentoonstellingen voor de handel
en de nijverheid georganiseerd. Daarop konden fabrikanten en landbouwers
nieuwe producten aanschouwen en de nieuwste ontwikkelingen op
industrieel gebied zien. In de beginperiode van de leerlooierij heeft
Jakob Hoetjer ook aan dergelijke tentoonstellingen meegedaan.
Op de
tentoonstelling van 28 juli 1872 te Hoogezand werd door het bestuur van
de tentoonstelling van Nijverheid en Landbouw "aan J.G.Hoetjer te
Veendam een vereerend getuigschrift voor lederen drijfriemen afgegeeven".
Dergelijke bekroningen,waarmee reclame werd gemaakt, waren er nog voor
inzendingen in l891(Veendam), 1893(Winschoten), 1896 (Leeuwarden en
Veendam), l898 (Musselkanaal), 1901 (Wildervank), 1902 (Hoogezand) en
1912 (Stadskanaal).
Na 1839 begonnen enkele particuliere
lokale spoorwegmaatschappijen in Nederland met het aanleggen van
spoorlijnen. Later werden zij ondergebracht bij de Nederlandse
Spoorwegen. Vanuit Zwolle opereerde in de Groninger Veenkoloniën de
Noordooster Locaal Spoorwegmaatschappij NOLS. Omstreeks, 1900 begon zij
met de aanleg van de spoorlijn Zuidbroek- Stadskanaal. Op enige
honderden meters achter de leerlooierij van Hoetjer zou deze lijn komen.
Ook zou er een spoorhaven of spoordok komen. De haven zou een
aansluiting op twee bestaande wijken krijgen, waardoor er een verbinding
met het Oosterdiep was. De ene zuidelijke wijk werd de latere
Havenstraat, de andere noordelijke wijk liep ten zuiden van het gehele
terrein van de looierij van Hoetjer. De waterwegen met de kaden of
wallen moesten aan de NOLS komen, hetgeen bij gehele of gedeeltelijke
onteigening is geschied. Voor de huidenspoelplaats 'van de looierij
leverde dat de nodige problemen op. De plaats zou moeten worden verlegd.
Ook voor Hoetjer was er onteigening.
Bij vonnis van de
Arrondissementsrechtbank van Winschoten gewezen op 3 maart 1909 tussen
de Noordooster Locaal Spoorwegmaatschappij te Zwolle als eiseres en
Jakob Hoetjer, leerlooier te Veendam als gedaagde werd bepaald "dat
ten behoeve van de Noordooster Locaal Spoorwegmaatschappij zijn
onteigend de voor den aanleg van den spoorweg van Stadskanaal naar
Zuidbroek benoodigde gedeelten der percelen, op de kadastrale plans der
gemeente Veendam bekend sectie K nummers 1170 en 891 - aan de
Noordooster Locaal Spoorwegmaatschappij de verplichting is opgelegd om
aan den gedaagde ten behoeve van de exploitatie van zijn bedrijf in de
leerlooierij, staande op de aan hem blijvende gedeelten van voormelde
kadastrale perceelen, over te dragen een door de gemelde
spoorwegmaatschappij te maken huidengat in open gemeenschap met de
nevens de perceelen loopende wijk, op het perceel kadastraal bekend
gemeente Veendam sectie K nummer 987, langs de geheele oostelijke grens
va:.'1 het perceel gemeente Veendam sectie K nummer 891, breed op den
waterspiegel zes meter bij Winschoter peil, diep een meter zeventig
centimeter beneden Winschoter peil". Kort daarna begonnen de
werkzaamheden aan het huidengat. Omringd door wallen is de oppervlakte
14 bij 20.50 meter of te wel 2 are 87 centiare.
Op 7 december 1910 droeg Cornelis
Kossen, secretaris boekhouder van de Noordooster Locaal
Spoorwegmaatschappij, wonende te Zwolle, als gemachtigde van Maximilian
Hubert Breuning, directeur van de ;T.V. Noordooster Locaal
Spoorwegmaatschappij,gevestigd te Zwolle, aldaar wonende,in
tegenwoordigheid van notaris W.Boer in Veendam over aan Gerrit Hoetjer
en Jan Jakob Hoetjer, fabrikanten wonende te Veendam,handelende onder de
firma J.G. Hoetjer, aldaar, in volle en vrije eigendom van "een
gedeelte van het perceel kadastraal bekend in sectie K nummer 987 der
gemeente Veendam groot 2 are 87 centiare, het noordelijkste gedeelte
lang 17 meter en breed 14 meter, het zuidelijkste gedeelte lang 3.5
meter en breed 14 meter (tezamen lang 20.50 meter en breed 14 meter),
dienende tot huidengat ten behoeve van de leerlooierij, toebehorende aan
Gerrit en Jan Jakob Hoetjer".
De NOLS overhandigde tevens een
bedrag groot 600 gulden "deels voor de tijdens het hergraven der
wijk aan hunne gebouwde eigendommen veroorzaakte schade en deels voor
tegemoetkoming in de kosten van onderhoud van het huidengat". De
overgedragen grond is door partijen op een waarde van 300 gulden
geschat. Jakob Gerrits Hoetjer, thans zonder beroep wonende te Veendam,
verklaarde de overdracht goed te keuren.. 1) Door het plaatsen van een
electromotor van 3 P.K.,waarvoor door het College van B. en W. van
Veendam op 4 december 1911 vergunning was verleend, deed de mechanisatie
haar intrede in de leerlooierij.
Langzamerhand konden vele
werkzaamheden, als vanouds handwerk, machinaal worden verricht.
Achtereenvolgens werden nog geplaatst in 1912 een electromotor van 10
P.K. voor het drijven van een ontvleesmachine enz. en in 1913 een
electromotor van 3 P.K., bestemd voor een riemenstrokensnijmachine, te
plaatsen in de leerlooierij (gebouw 1900). Op 27 januari 1913 maakte het
College van B en W bij besluit bekend, dat de firma J.G.Hoetjer
vergunning was verleend om een stoomketel voor verwarming en droging in
de leerlooierij te plaatsen (gebouw 1875 I). Op het besluit van het
College van B en W van 24 februari 1914 kon het bestaande gebouw van de
nieuwe leerlooierij worden uitgebreid door verbouw en bijbouw van een
leerlooierij en leerdrogerij met een verdieping (gebouw 1880).
Het
bedrijf bereikte zijn grootste omvang in 1920. In dat jaar werd,na
goedkeuring door het College van B en W van Veendam van 7 april 1920,
aan de noordzijde van het gebouw 1880 de looierjj uitgebreid door
bijbouw van een gebouw, waarin te plaatsen de kuipen voor het wassen van
huiden, enzovoorts. De oude huidenspoelplaats kon nu verdwijnen. Naast
regenwater werd thans ook leidingwater gebruikt.

Met deze uitbreiding
was de nieuwe leerlooierij, tussen 1880 en 1920 in fasen gebouwd en
verbouwd, af. Er zijn nog plannen geweest de oude en nieuwe looierij met
elkaar te verbinden. De economische situatie van de jaren dertig en de
ontwikkelingen in de lederindustrie na 1950 verhinderden de uitvoering
ervan. Bij akte van 21 oktober 1926 verklaarden Gerrit en Jan Jakob
Hoetjer "met onderling goedvinden, te rekenen van den eersten
october jongstleden te hebben ontbonden de handelsvennootschap onder de
firma J..G.Hoetjer, gevestigd te Veendam". Voorts verklaarden zij
uitdrukkelijk te zijn overeengekomen, "dat Jan Jakob Hoetjer de
zaken de ontbonden vennootschap onder dezelfde firma, hetzij alleen,
hetzij met anderen mag voortzetten, terwijl Gerrit Hoetjer zich verbindt
nimmer een zaak te zullen uitoefenen hetzelfde doel beoogende als de
ontbonden vennootschap, bij overtreding waarvan hij aan Jan Jakob
Hoetjer of diens rechtverkrijgenden eene boete zal betalen groot 5000
gulden".
Met de liquidatie van de ontbonden firma werd Jan Jakob
belast. De boeken en papieren kwamen onder zijn berusting. Alle activa
en passiva werden hem toegescheiden onder de voorwaarde aan Gerrit
Hoetjer wegens overbedeling een bedrag groot 55.000 gulden uit te keren.
De onroerende en roerende goederen van de door Jan Jakob voortgezette
leerlooierij bestonden uit: "twee behuizingen met schuur,
werkplaats, huidengat, erven 611 tuin, met alle zich daarin bevindende
machines, werktuigen en gereedschappen, staande en liggende aan het
Beneden Oosterdiep, thans Veenkade te Veendam gelegen kadastraal in de
gemeente Veendam bekend in sectie K nummers 156,1314,1312 en 1480 groot
tezamen 25 are 67 centiare".
Gerrit kocht als rentenier enige jaren
later de boerderij met opstrekkende land gelegen aan de zuidkant van de
leerlooierij. Daar is hij op 98-jarige leeftijd overleden. Zijn vrouw
Mensiena Prummel was hem in 1938 voorgegaan. Jan Jakob Hoetjer nu zette
het bedrijf alleen voort. Zoals gebruikelijk sinds de oprichting in 1870
werkten er over het algemeen enkele knechten, in de tijd van de
aardappelmeelcampagne was het aantal groter.
Toen het aantal
aardappelmeelfabrieken weer afnam, verminderde navenant het aantal
werknemers. Later kon Jan Jakob veelal met zijn drie zonen volstaan. In
1918 overleed zijn vrouw Hillechiena Smit ten gevolge van de 'Spaanse
griep'. Hij bleef met vier minderjarige kinderen achter. In 1924 kocht
hij een boerderij met opstrekkende land aan de, Blankensteinkade Beneden
Oosterdiep landzijde in Veendam.
Ging het in de looierij minder goed
dan warer er nog de inkomsten van de boerderij en omgekeerd. In 1940
trok Jan J.Hoetjer zich nagenoeg geheel uit de zaak terug. Hij bleef
aandeelhouder en commissaris van de inmiddels opgerichte Hoetjer N.V.
van 1940 tot 1959. Met zoon Berend, die aanvankelijk werkzaam was in de
leerlooierij, deed hij het landbouwbedrijf. Op de leeftijd van 76 jaar
is Jan Jakob Hoetjer op de boerderij overleden.
Hoetjer N.V. 1940-1972.
Voor notaris A.J.Smith te Veendam verschenen op 9 september 1940 1.de
heer Jan Jakob Hoetjer, leerlooier en drijfriemen,fabrikant, wonende te
Veendam, niet hertrouwde weduwnaar van mevrouw Hillechiena Smit 2.de
heer Jakob Gerrit Hoetjer, leerlooier en dri,jfriemenfabrikant, wonende
aldaar; 3. de heer Berend Hoetjer, leerlooier en drijfriemenfa brikant,
wonende aldaar; 4. de heer Gerrit HIoetjer, leerlooier en
drijfriemenfabrikant, wonende aldaar; 5. mejuffrouw Roelfiene Berendiene
Hoetjer, zonder beroep, wonende aldaar.
Compararanten verklaarden hierbij met
elkander op te richten een Naamlooze Vennootschap onder de volgende
bepalingen:
1. De vennootschap draagt de naam:' N.V. LEDER- en DRIJF-
RIEMENFABRIEK v/h FIRMA J.G.HOETJER. Zij is gevestigd en houdt kantoor
te Veendam en heeft ten doel het exploiteren van een lederfabriek en het
fabriceren van drijfriemen, het koopen van de daarvoor benoodigde
grondstoffen en het verkopen der verkregen producten, alsmede het
drijven van handel in aanverwante artikelen.
2. De vennootschap vangt
aan op heden en wordt aangegaan voor onbepàalden tijd. De zaken, welke
door de vennootschap worden voortgezet, zullen geacht worden van 1
januari 1940 af te zijn gedreven voor rekening der vennootschap.
3. Het
kapitaal der vennootschap bedraagt 75.000 gulden en is verdeeld in 75
aandeelen, elk groot een duizend gulden".
Jan Jakob Hoetjer nam
deel in de vennootschap met 23 aandelen en de vier kinderen ieder met 13
aandelen. In de vennootschap' werd ingebracht het gezamenlijk aan hen
toebehoorende volledige leerlooiersbedrijf, tot heden geëxploiteerd
onder de firma J.G.Hoetjer, bestaande uit twee huizen met bijgebouwen,
erven en tuin (aan de Veenkade 4-5-6) te Veendam.. samen groot 2.5.67
are; roerende lichamelijke goederen;contanten; saldo-postrekening;
bankvorderingen en andere vorderingen; goodwill met eenige schulden, per
saldo een waarde vertegenwoordigende Van 75.000 gulden...enzovoorts,
enzovoorts".
Bij besluit van het College van B. en W. van
Veendam van 19 februari 1947 werd vergunning verleend om een Deutz
dieselmotor van 35-38 P.K. te plaatsen. Deze kwam in de nieuwe
leerlooierij te staan en diende voor de aandrijving van de bestaande
machines (gebouw 1880).

Op 11 maart 1948 werd de N.V.Hoetjer vergunning
verleend "tot uitbreiding van de drijfriemenfabriek door
bijplaatsing van een stoomketel van acht atmospheren op het perceel
plaatselijk bekend Veenkade 4..." (gebouw 1880) Na Wereldoorlog II
werd de 'vanouds bekende lederendrijfriem langzamerhand van de markt
verdrongen.
Daarvoor in de plaats kwamen de nylon- en rubberriemen. De
vennootschap ging reeds in 1948 naast de bestaande handelsgoederen dan
ook over op de handel in en verkoop van die nieuwe riemen. In deze
tamelijk moeilijke periode, welke zich uitstrekte over de jaren vijftig,
werd:besloten tot de productie van leder voor jassen en later voor
schooltassen. De (Solex) bromfiets was in opkomst en de scholier werd
geacht een solide school- of aktetas te bezitten.
In de
aandeelhoudersvergadering van de vennootschap van 18 juli 1953 werd
besloten om het bedrijf langzaam in te stellen op het looien van
overleder en jassenleder en om met proeflooien te beginnen, voorlopig
zonder aanschaffing van diverse machines. Mocht dit proeflooien succes
hebben, dan zal op dit terrein verder gewerkt moeten worden en zal voor
aankoop van machines te zijner tijd een groter bankcrediet moeten worden
aangevraagd".
Een jaar later, op 3 september 1954, nam men het
besluit "om met het experimenteren, om jassenleer te gaan looien,
door te gaan tot een goed einde. De financieële resultaten lijken nog
niet gunstig en zal het boekjaar 1954 nog een groter verlies brengen. De
practische resultaten zijn van dien aard, dat het laatste gelooide leer
er al tamelijk goed uitziet en het lijkt er op, dat ons bedrijf dit wel
voor elkaar krijgt. Er zal nog veel moeten worden proef gedraaid. Alle
aandeelhouders zijn het er over eens, dat de drijfriemen in het museum
kunnen en de bakens dus verplaatst moeten worden".
Bij akte van 30
augustus 1956 verklaarde "de heer Jakob Gerrit Hoetjer,leerlooier
en drijfriemenfabrikant, wonende te Veendam, ten deze handelende als
enig directeur van de te Veendam gevestigde naamloze vennootschap: N.V.
Leder- en Drijfriemenfabriek v/h Firma J.G.Hoetjer...dat in de
jaarlijkse algemene vergadering van aandeelhouders der voormelde
naamloze vennootschap gehouden te haren kantore te Veendam op 6 maart
1956 is besloten tot wijziging van haar statuten, in de gemelde
vergadering, in welke vergadering blijkens het aan deze akte
vastgehechte afschrift der presentielijst alle aandeelhouders - te weten
de heren Jan Jakob-, Jakob Gerrit-, Berend- en Gerrit Hoetjer - aanwezig
waren, werd besloten tot de navolgende wijzigingen". De voornaamste
wijzigingen waren: de vennootschap veranderde haar naam in "HOETJER
N.V." en de fabricage van lederkleding en lederwaren werd
toegevoegd.
De toekomst zag er hoopvol uit, maar spoedig nam de
concurrentie uit Azië toe en ook verscheen alras de goedkopere
suèdejas op de markt. Binnen korte tijd werd de produktie van
jassenleer dan ook gestaakt. Eveneens verdween de school tas uit het
assortiment. Tijdens de aandeelhoudersvergadering van 5 mei 1960 werd
besloten "de productie van lederen kleding tot een minimum te gaan
beperken en deze in loondienst te laten aanmaken.
De verkoop van
drijfriemen komt weer op gang en wordt intensiever bewerkt, speciaal de
handel in perlon- en nylondrijfriemen". De drijfriem werd weer uit
het museum gehaald!!
In een vergadering in 1962 werd vermeld "dat
wordt doorgegaan met de handel in drijfriemen, welke gunstige resultaten
oplevert". In die van 28 juni 1965 werd onder meer gezegd, dat
"gezien de slechte resultaten in de lederindustrie, de afdeling
lederwaren stop te zetten..
Het aanwezige personeel is reeds vertrokken.
Alleen wordt verder gegaan met de afdeling drijfriemen en in die van 25
mei 1966 werd besloten "de productie van lederen tassen stop te
zetten en op het gebied van V-snaren meer aandacht aan de verkoop te
besteden". Sindsdien zijn de nylondrijfriemen en de V-snaren de
belangrijkste handelsprodukten.
Op 1 september 1964 brandde de nieuwe
leerlooierij volledig af (gebouw 1880).
Een plan tot herbouw werd in
1965 gemaakt, doch niet meer ten uitvoer gebracht. Het jaar daarop
verloor de looierij ongeveer de helft van haar terrein. In verband met
de uitbreiding van de woonkern van de gemeente Veendam in oostelijke
richting, het zogenaamde plan Havenbuurt, moest de gemeente Veendam een
stuk grond van Hoetjer N.V. aankopen.
Zij zag zich genoodzaakt
onderhandelingen te beginnen met de directie van de vennootschap.
Ongeveer de helft van het leerlooierijterrein zou de gemeente nodig
hebben om de reeds gedeeltelijk aangelegde weg - thans de Koppiusstraat
- te kunnen doortrekken en de woningen aan weerszijden ervan te kunnen
bouwen. Het resultaat was, dat op 1 april 1966 Jakob Gerrit Hoetjer,
fabrikant te Veendam en handelende voor Hoetjer N.V. te Veendam aan
Albertus Nicolaas Nap, burgemeester van de gemeente Veendam en
handelende voor deze gemeente, voor 15.000 gulden verkocht "een
perceel grond met daarop aanwezige opstallen aan de Havenstraat te
Veendam".
Op 11 oktober 1966 overleed Jakob Gerrit Hoetjer. Sinds
de oprichting van Hoetjer N.V. in 1940 directeur. Onder zijn directie
zijn de aandeelhoudster Roelfiene Berendiene Hoetjer in 1945 en de
aandeelhouder' Berend Hoetjer in 1956 uit de vennootschap getreden.
Berend stapte definitief over op de landbouw.
Gerrit Hoetjer, in 1954
tot commissaris van de vennootschap benoemd, werd na het overlijden van
zijn broer als directeur ad interim benoemd. In 1967 werd hij tot
directeur gekozen. Hij trad als commissaris af. Het aandelenpakket van
wijlen Jakob Gerrit H. werd door zijn vrouw Niesje Hoetjer-van Vorden
aan de nieuwe directeur en de N.V. overgedragen. Nog in 1967 werd Jan
Jakob Hoetjer benoemd tot commlssaris van de vennootschap.
Hoetjer B.V. sinds 1972.
In 1972 werd de naamloze vennooschap in
een besloten vennootschap omgezet, een familie B.V.. De vennootschap
bestaat thans uit "een behuizing met werkplaats, autoboxen, erf en
tuin aan het Beneden Oosterdiep 86-88 te Veendam, groot 14 are 20
centiare". Op 28 december 1976 overleed Gerrit Hoetjer,vennootschaps
directeur.
Zijn vrouw, Johanna S.Hoetjer-Vrieze, volgde hem op als
directrice. In dat jaar werden tot commissaris van de vennootschap
benoemd Lubbertus en Gerrit Hoetjer. Begin 1978 legde Johanna S.Hoetjer-Vrieze
haar funktie neer en werd opgevolgd door haar zoon Gerrit Hoetjer
(junior).Hij zelf trad als commissaris af en de oud-directrice werd in
die funktie benoemd. Eind 1979 trok Johanna S. Hoetjer-Vrieze zich
geheel terug uit het familiebedrijf. Het totale aandelenpakket droeg zij
over aan de kinderen.
INTERVIEW 1954
Het leerlooierij verhaal sluiten we af
met fragmenten uit een interview, dat door een journalist van het
dagblad "de Noord-Ooster" in 1954 met de directeur
Jakob Gerrit Hoetjer van Hoetjer
N.V. werd gehouden.
Interview 1954. "...Er is in de loop van de
jaren wel het een en ander veranderd in het leerlooiersvak, aldus de
heer Hoetjer, een van de weinige leerlooiers die het noorden van ons
land nog telt. Vooral ook is de manier van looien veranderd. Nieuwe
looistoffen zijn ontdekt, die vlugger dan voorheen huiden kunnen
prepareren tot leer.
En er is nog iets veranderd.ln vroegere jaren stonk
een leerlooier uren in de wind. De nieuwe methoden hebben ook dat euvel
doen verdwijnen. Het is meermalen gebeurd, al dus de heer Hoetjer, dat
ik vroeger geld moest gaan wisselen in de winkel van de firma De Weerd,
tegenover ons bedrijf. Wanneer ik daar dan op zaterdagmorgen tegen de
tijd van het uitbetalen van de lonen kwam, werd steevast de opmerking
gemaakt: "Help die meneer eerst maar even!" Wanneer men dat
niet had gedaan zou het voor de klanten in de winkel niet te harden zijn
geweest vanwege dat leerlooiersluchtje.
Omslachtig is de bewerking in
vele gevallen voor het verkrijgen van een goed stukje leer. Dat begint
met het ontharen van de huid in speciale kuipen, waarin zich zwavel en
kalk bevinden. Vier dagen lang duurt dit proces, dat gevolgd wordt door
de ontvlezing van de huid. Het "splitsen" van de huid komt
hierna aan de beurt. In een speciale machine wordt de huid op ieder
gewenste dikte gesplitst, tot op een halve millimeter nauwkeurig! Twee
dagen lang wordt de huid daarna bewaard in enorme kuipen, waarin zich
een zuuroplossing bevindt. Dit ter "ontkalking" van de huid.
Tenslotte komt dan het looien en dit is in vele gevallen het
langdurigste proces.

Leerlooiersopleiding in Waalwijk
Wanneer men synthetische looistoffen gebruikt,
duurt het proces altijd nog zo'n maand of twee, maar wil men het
ouderwets goed doen, namelijk met eikenschors als looimiddel, dan duurt
het looien liefst anderhalf jaar! En ouderwets goed leer vergt nog heel
wat meer geduld om het te verkrijgen. Op zolder bij de heer Hoetjer ligt
een partijtje leer, waarmede men nu al vijftien jaar bezig is! Nog twee
jaar moet het partijtje blijven liggen. Langzaam moet de partij namelijk
"indrogen", zoals dat heet. Over twee jaar zal men het gaan
gebruiken voor de vervaardiging van een drijfriem.
Talrijke looierijen
telde het noorden. Geen schoenmaker was er bijna of hij was leerlooier
ook. Dat alles is verdwenen. Tenminste in het noorden van ons land, maar
in het zuiden is dat anders. In de strijd om het bestaan hebben talrijke
looierijen tenslotte het loodje moeten leggen. Nieuwere methoden zijn
gevonden en soms betere ook. De leerlooiers van de oude stempel konden
al spoedig niet meer meekomen. Maar één ding is toch niet gelukt.
Nimmer is de kwaliteit van het leer, zoals dat werd vervaardigd door de
oudgedienden, overtroffen. Drijfriemen zijn in hoofdzaak gemaakt.
Drijfriemen in velerlei dikte. Een zo'n riem bevat vele huiden. Daarin
zijn zo ongeveer 75 huiden verwerkt.
Zo 'n riem bestaat namelijk uit een
driedubbele laag, die niet alleen op elkaar gelijmd is, maar bovendien
met riempjes werd doorvlochten. Kosten dezes bedragen zo'n kleine 3000
gulden. De industrie neemt tegenwoordig weinig drijfriemen meer af.
Andere machines zijn in gebruik gekomen en daardoor wordt het bestaan
van vele leerlooiers bedreigd. Nu de werkgelegenheid in de
leerlooierijen afneemt, voor wat betreft het maken van drijfriemen, is
men gaan zoeken naar andere mogelijkheden en wegen.
 |
Leerbewerking is
erg arbeidsintensief |
Voor wat betreft de
firma Hoetjer is men aan het experimenteren met het maken "van
jassenleer..Kostbare machines zijn aangeschaft om deze omschakeling
mogelijk te maken en thans staat dit bedrijf aan het begin van de
productie van het nieuwe artikel.
Huiden bevatten, wanneer zij arriveren
in een leerlooierij, aan de binnenzijde nog restanten vlees. Dit wordt
in een speciale "ontvlezingsmachine" zeer nauwkeurig
verwijderd en op deze wijze per huid een kilo of twee vlees verzameld.
De afval wordt opgekocht door de lijmfabrieken. Niet alleen vervaardigt
men er lijm van, doch ook gelatine. De gelatine wordt in een later
stadium gebruikt in de puddingfabrieken.
Zo zit dat dus in
elkaar..."
Jakob Gerrit
Hoetjer
controleert hier het jassenleer |
 |
|