|
Gebroeders Jakob en Harm Hoetjer (1867-1869); Hoetjer en Koops
(1870-1876); Koops(1876-1881); Harm Hoetjer 1876
Gebroeders Jakob en Harm Hoetjer
(1867-1869)

Voor notaris G. Baart de la
Faille in Veendam verschenen 8 juni 1867 'de heeren Jakob Gerrits
Hoetjer en Harm Gerrits Hoetjer, de eerstgenoemde landgebruiker en de
laatstgenoemde houthandelaar, beide wonende te Veendam, welke
comparanten verklaarden overeengekomen te zijn om met elkaar een
contract van vennootschap aan te gaan tot het uitoefenen van den hout en
steenhandel en eener leerlooierij onder de FIRMA GEBROEDERS HOETJER...
de vennootschap neemt een aanvang op 1 januarij 1867' De leerlooierij en
ten dele de hout en steenhandel wordt hier behandeld. Ten behoeve van de
leerlooierij werd door de gebroeders op 3 mei 1867 van Hillechien Harms
Schaap weduwe Harm Oomkes Roosje en consorten te Veendam "vier
stukken land gelegen westzijde(landzijde) aan het
(Boven)Westerdiep te Veendam, tezamen groot 1,5 bunder, voor 2000
gulden' aangekocht.
(Langs het Oosterdiep en het
Westerdiep ligt aan de ene kant de verharde straatweg, de wegzijde,
waaraan de woonhuizen, winkels, enz. en aan de andere kant de onverharde
weg, de landzijde, waaraan aanvankelijk alleen de boerderijen en enkele
huizen stonden.)
Het land lag ten zuiden van en grensde
aan hun landbouwbedrijf. Jakob was daar landbouwer op en Harm deed de
hout en steenhandel. Samen gingen zij de leerlooierij doen. Kort daarna
werd met de bouw van de looierij begonnen. Op 8 februari 1868 was de
stichting een feit. Er waren vier laafkuipen, vier kalkkuipen, een
konfuitkuip, een schaafselkuip, een haarkuip en veertien looikuipen. De
vennootschap werd op 31 december 1867 ontbonden om op 1 januari 1868
weer te worden opgericht, nu met drie vennoten, met namen Jakob en Harm
Hoetjer en hun zwager Harm Addes Koops Pieterszoon, rustend
scheepskapitein te Veendam.
Hoewel de leerlooierij aan voornoemde vennoten toebehoorde, de
eigendom van de grondpacht bezat nog altijd hun vader, Gerrit J.
Hoetjer.
Toen deze in 1867 overleed, werd de boedel van hem en zijn vrouw Geertje Schreuder gescheiden en
gedeeld. Op 9 juni 186S vond dit plaats. Aan ieder van hen kwam toe een derde aandeel in "de
eigendom of grondpacht, groot 10 gulden, gevestigd op vier stukjes
land gelegen aan het (Boven)Westerdiep te Veendam, in gebruik bij Jakob Gerrits Hoetjer en
mede-eigenaren, gewaardeerd
op 250 gulden".
Door het uittreden van Jakob
Hoetjer per 31
december 1869 werd tevens de firma Gebroeders Hoetjer ontbonden. Om
hem zijn recht op een derde aandeel in de leerlooierij te kunnen
uitkeren werd het onroerend goed te koop aangeboden. Op 10 december
1869 vond de verkoping plaats van "een gebouw, waarin thans de
leerlooijerij wordt uitgeoefend met diens aanhoorigheden en twee
kampen land aan het (Boven) Westerdiep landzijde te Veendam voor 9000
gulden". De in de looierij aanwezige gereedschappen werden voor
365 gulden 47,5 cent overgenomen. Kopers waren Harm Hoetjer en Harm
Addes Koops. Jakob Hoetjer richtte vervolgens aan het Beneden Oesterdiep in
Veendam een nieuwe leerlooierij op.
Hoetjer en Koops (1870-1876)
Op 16 december 1869 kwamen de overgebleven vennoten Harm
Hoetjer, houthandelaar en Harm Addes Koops,negotiant overeen "een
contract van vennootschap aan te gaan tot het uitoefenen van den hout
en steenhandel en eener leerlooijerij onder de naam FIRMA HOETJER en KOOPS ...
ingaande 1 januari
1870".
Harm Koops werd tijdens zijn bezoek aan Emmikhoven in de provincie
Noord-Brabant, waar zijn zoon Pieter een school bezocht en met 'rode
hond' ziek lag, ernstig ziek en is daar op 15 mei 1873 overleden. Zijn
aandeel in de firma ging over op zijn vrouw de weduwe Aafien
Koops-Hoetjer en kinderen Pieter, Gerrit, Jan en Geerdina Lammechina.
Op grond van een artikel van het vennootschapsstatuut moest binnen
vijf jaar na het overlijden van een der vennoten de boedelscheiding en deling van de nalatenschap
plaatsvinden.
Bij onderhandse akte van december 1875 kwamen Harm Hoetjer en zijn
zuster Aafien Koops-Hoetjer dan ook overeen de firma per 1 januari 1876
te ontbinden. Door de vele moeilijkheden is daaraan ruim drie jaar
gewerkt.
Na de ontbinding werd op 23 december 1875 in Veendam een -door de
Arrondissementsrechtbank van Winschoten bevolen openbare verkoop van het
onroerend goed van de firma gehouden. De inventaris bleef er buiten. Op
verzoek van "den heer Harm Hoetjer, negotiant te Veendam,
mejufvrouw Aafien Gerrits Hoetjer, weduwe den heer Harm Addes Koops
Pieterszoon, negotiante te Veendam voor zich en als moeder en wettige
voogdesse over hare minderjarige kinderen ... in tegenwoordigheid voorts
van den heer Harm Douwes Douwes, rustend scheepskapitein, mede te
Veendam als toeziend voogd over de minderjarige kinderen Koops ...
" werd de hout en steenhandel, bestaande uit een behuizing met erf
en tuin aan het Boven Westerdiep wegzijde in Veendam benevens de
behuizing of kantoor ten zuiden hiervan met de daaraan verbonden schuur,
bergplaats en de daarbij staande houtschuur en enkele stukjes land voor
8000 gulden door Harm Hoetjer gekocht en de leerlooierij met een stukje
land aan het Boven Westerdiep landzijde in Veendam voor 3600 gulden door
Aafien Koops-Hoetjer.
Koops 1876-1881.

Vanaf 1 januari 1876 nu de hout en steenhandel H. Hoetjer en de
Leerlooierij Koops. Pas bij vonnis van de Rechtbank van Winschoten van 5
september 1877 werd gelast over te gaan tot de definitieve scheiding en
deling en liquidatie in de firma Hoetjer en Koops. Daarvoor kwamen de
houtkoper en leerlooier Harm Hoetjer en de leerlooierse Aafien
Koops-Hoetjer met Harm Douwes in 1877 en 1878 in totaal acht maal in
vergadering bijeen. De activa en passiva van de firma werden
geïnventariseerd. In 1876 overleed Jan Koops en had Harm Hoetjer achter
zijn hout en steenhandel een gebouw,bestemd voor een leerlooierij,
gesticht. Hiertegen had de familie Koops bezwaren aangetekend.
Tijdens de vergadering van 2 november 1877 werd in aanwezigheid van
de partijen, de notaris en de kantonrechter van Zuidbroek het besluit
genomen "de onroerende goederen aan de ontbonden vennootschap
Hoetjer en Koops toebehorende, daaronder mede begrepen de leerlooijerij
gebouwd door Harm Hoetjer, zullen worden verkocht op 28 december
aanstaande".
Voorts bracht Harm H. naar voren, dat hij nog een vordering van 2500
gulden "wegens de verbetering der goederen bij hem thans gebruikt
door het daarop stichten van een leerlooijerij" op de ontbonden
vennootschap had.
Aafien Koops gaf als antwoord, "dat er geen
vordering ten laste van de ontbonden vennootschap bestaat...omdat Harm
Hoetjer nimmer aan haar enige kennisgeving van het stichten eener
leerlooijerij heeft gedaan; dat die leerlooijerij dus buiten haar
toestemming is gesticht en daarin zijn verwerkt eene aan de vennootschap
toebehoorende houtschuur; dat door het afbreken en verwerken van gezegde
houtschuur de goederen in waarde zijn verminderd; dat zij zich wegens
het wegnemen van die houtschuur haar recht om schadevergoeding
vraagt...door ondertekening dit procesverbaal niet geacht wil worden met
opgegeven vordering genoegen te nemen".
Kort voor de verkoop werd de vermogenswaarde van
de firma vastgesteld. De activa had een waarde van ruim 30.000 gulden en
de passiva van ruim 20.000 gulden, zodat er een positief saldo was van
ruim 10.000 gulden.
Op 28 december 1877 werd wederom een bevolen
openbare verkoop gehouden. De hout en steenhandel werd voor 8725 gulden
door Heinrich Friedrich Georg Kaiser, fabrikant te Ommelanderwijk onder
Veendam gekocht en de leerlooierij voor 2400 gulden door Aafien
Koops-Hoetjer.
Laatstgenoemde prijs echter vond Harm Hoetjer te
laag. Er volgden weer enkele vergaderingen. Op 15 maart 1878
bijvoorbeeld, kwam de leerlooierij van Harm H. weer ter sprake. Hij had
daarin aan materialen en arbeidslonen een som van 2687 gulden en 32 cent
geïnvesteerd. Dat bedrag zou nog ten laste van de ontbonden firma
moeten worden gebracht. Aafien wees daarentegen nogmaals op het feit dat
de nieuwe leerlooierij met materiaal van de ontbonden firma was gebouwd
en als gevolg daarvan was het bezit van de firma in waarde gedaald. De
partijen konden het niet eens worden.
Op 24 juni l879 werd een akte van dading
ondertekend, waarin "de zwarigheid, die gerezen was over de
wettigheid van de aankoop van vaste goederen door Aafien Koops-Hoetjer,
leerlooijersche te Veendam op 28 december 1877 geheel is opgeheven en
zij als wettig kopersche daarvan door Harm Hoetjer, zonder beroep te
Veendam, is erkend". De eis van de vermeende vordering werd
ingetrokken. Op 29 juli 1879 kwam de verdeling en liquidatie tot stand.
In 1880 is Harm Hoetjer naar Amerika
vertrokken. Na aanvankelijk in Muskegon en Grand Rapids, beide in
Michigan, gewoond te hebben, vestigde hij zich in 1897 als landbouwer in
Lucas, Michigan. In 1906 overleed hij in Chicago. Met haar zonen Pieter
en Gerrit zette Aafien Koops-Hoetjer de leerlooierij voort. Op 10
september 1881 overleed zij op 48-jarige leeftijd aan het Boven
Westerdiep in Veendam. Aangezien de beide zonen vermoedelijk geen
belangstelling voor de looierij hadden, werd het bedrijf dan ook per 31
december 1881 opgeheven.
Het betekende het einde van de bijna 15 jaren oude leerlooierij van
Koops, voorheen Hoetjer en Koops.
Op 15 november 1881 werd publiek
verkocht "eene winkelbehuizing met erf en tuin aan het Boven
Westerdiep wegzijde te Veendam". Koper werd voor 1670 gulden
Johannes Wilko Wortelboer, scheepskapitein te Veendam; en "een
gebouw, waarin leerlooijerij met erf en verder open grond, waarbij
veertien looikuipen, zes kalkkuipen en twee laafkuipen aan het Boven
Westerdiep landzijde te Veendam en een kampje land achter de
leerlooijerij". Koper werd voor 985 gulden Jakob Reinders van
Deest, scheepskapitein te Veendam.
Evenals hun oom Harm Hoetjer vertrokken
Pieter en Gerrit Koops naar Amerika. Via Muskegon Michigan kwamen zij in
1887 in Chicago aan. Pieter stichtte daar in 1897 een mosterdfabriek, in
gewijzigde vorm nog steeds bestaande en overleed aldaar in 1947. Gerrit
verliet de stad en stierf in 1914 even buiten Chicago.
De voormalige leerlooierij van Koops
kreeg een andere bestemming. Er werd een slagerij in ondergebracht. Dat
is kennelijk geen succes geweest, want op 30 maart 1883 verkocht Jakob
R. van Deest, nu koopman te Veendam "een gebouw, bevattende woning
en schuur, waarin een slachterij, met erf en open grond aan het
(Boven)Westerdiep landzijde te Veendam, groot 2 ares 90 centiares en een
kampje land, groot 23 ares 45 centiares mede aldaar,onmiddellijk achter
het vorige perceel ... aan Geert Jans Muller, landbouwer te Veendam in
hoedanigheid van administreerend kerkvoogd van de Vrije Evangelische
Gemeente te Veendam, voor en ten behoeve van gezegde Gemeente,voor 1460
gulden". 28) Het gebouw werd afgebroken en een kerk verrees er. De
eerste predikant was dominee J. van Petegem. De kerk werd al gauw
"Van Petegem's of Muller's kerkje"genoemd. Omstreeks 1960 is
de kerk gesloopt, uitgezonderd de pastorie.
Drie inventarislijsten van de leerlooierij van
Koops laten ons iets zien van het interieur. Stefanus, Schuring, en
Hoetjer & Koops zullen ons iets dergelijks laten zien. Hier volgt de
lijst: "Voorraad leder,schoenen,pantoffels, fournituren,stoffen en
andere goederen. In de lederwinkel en op de zolder(aan het Boven
Westerdiep wegzijde in Veendam):62 paar schoenen,houten en ijzeren
pluggen, bottines,11 vellen fantasie chagrin, bezanen,6 vel geel
pailleleder, 2 vel rose pailleleder, garen, 25 kg. zwart Javaleder, 11
kg. groen Javaleder, leestklare dames en heren bottines, 161 kg.
zoolleder, 9 vellen vertakt leder, fournituren, afgepaste -pantoffels,
pantoffelstof, leestklare laarsjes, veters, 105 kg. leder in het smeer,
9 varkensvelletjes. - In de looijerij en kuipen(aan het Boven Westerdiep
landzijde in Veendam):3/4 ton bruine traan een halve ton blanke traan,
15 kg. houten pluggen,drie vatjes pik, 7 vel binnenzoolleder,60 vel
overleder in het smeer, 20 halve vellen overleden, 15 kg. paardeleder, 3
grauwe paardeplaten, eenig grauw leder, een schoenmakersmachine, eenig
leder, 44 leesten, eenig schoenmakersgereedschap, leestklare bottines,
stukken leder, brandhout, partij keijen, twee steenen werktafels, eenige
schaaf-,vleesch- en pulmessen, een maan- en blesseermes, 4 vaalmessen,
krispelhout en streepijzer, vier schaafboomen en 2 houten
paarden,vetpannen, borstels en
potten,een oliekan met lampen,
eenige kagchelpijpen, drie looitangen,een vork en schop, een balans met
schalen en gewichten, 100 stuks overleder huidjes in de kuip nummer een,
84 stuks idem in de kuip nummer twee, 80 stuks idem in de kuip nummer
drie, 150 stuks pinken, 9 ton bark." De totale waarde is op ruim
2800 gulden geschat. In het winkelvoorhuis waren nog de manufacturen met
een getaxeerde waarde van 550 gulden.
Harm Hoetjer 1876
Nadat tot de ontbinding van de firma Hoetjer en
Koops was besloten, heeft Harm Hoetjer getracht een nieuwe looierij
op te richten. Uit enkele
boedelscheidingsstukken is gebleken, dat deze er inderdaad is gekomen.
Stukken, die betrekking op de Hinderwetvergunningsprocedure hebben,
laten echter niets zien.
Op 10 april 1876 richtte Harm Hoetjer zich in
een brief tot het Gemeentebestuur van Veendam, als volgt:
"dat
hij voornemen is op te rigten eene leerlooijerij, dat hij onder
overlegging van de stukken bedoeld bij art. 5 der wet van 2 junij 1875
(Staatsblad no 95) U Ed. A.
verzoekt tot die oprichting vergunning te willen verleenen. Q.F.
H.Hoetjer".
 |
Een "beschrijving
en plattegrondteekening, behoorende bij het verzoek om vergunning
tot oprigting eener leerlooijerij van H.Hoetjer" is
bijgesloten.
Daarin lezen we: "Men bedoelt de oprigting van eene gewone
leerlooijerij ... Het front van het gebouw zal komen achter de
houtschuur van de
oprigter...Het op te rigten gebouw zal zijn: lang 15.50 meter,
breed 6.80 meter ... Het front komt op 30 meter afstand van den
openbaren weg ... Het locaal a is bestemd tot werkplaats,
het is breed 6.80 meter en diep 5 meter ... De ruimten aangewezen
door de letter b zijn 10 looikuipen, ieder 1.90 meter
vierkant...De ruimten gemerkt c zijn bestemd tot laafkuipen
en ieder groot 1.80 bij 1.40 meter ...
De vierkanten aangeduid door d zullen zijn kalkkuipen en
een oppervlakte bekomen van 2 bij 1.5 meter ... De eene plaats
geteekend e is de kuip, gewoonlijk genaamd confuit’ groot 2 bij
2 meter ... De kuip bedoeld bij letter f is
de zoogenaamde vleeschkuip, zij zal meten 2 bij 2 meter ... En
eindelijk de kuipen, geteekend g, zijn haarkuipen, ieder
groot 2 bij 1.50 meter. |
De
spoelplaats ten dienste van de fabriek zal voorshands zijn in de Oude AE
op omstreeks 90 meter van de looijerij".
Het Gemeentebestuur kwam met een verklaring, waarin het zei: ''dat
zich binnen den afstand van tweehonderd meter van de perceelen geene
gebouwen of localen bevinden als bij art. 5 der wet van den 2 junij 1875
... Aldus afgegeven om te dienen overeenkomstig art.10 der evengenoemde
wet". Er werden
schriftelijk door J.C. van Slooten, D. Douwes en Aafien Koops-Hoetjer
bezwaarschriften ingediend. J.C.
van Slooten "als eigenaar van plusminus vier hectare .land tusschen
diepen te Veendam" voerde aan, dat "als wordende het water in de
sloden van de wiede, indien daarin de huiden worden afgespoeld,
ondrinkbaar voor vee en paarden".
Harm
Douwes en Aafien Koops-Hoetjer, "dat zij met hunne huizen, welke zij
bewonen aan de noordzijde zijnde belendende naburen ... dat eene
leerlooijerij in derzelver omgeving eene walgelijke stank verspreidt en
onreinheden oplevert welke bij menig andere fabriek niet voorkomt ... dat
ondergeteekenden wonen in eene vrij digt bevolkte wijk ... dat hunne
perceelen door de daarstelling eener leerlooijerij in hunne nabijheid
aanmerkelijk in waarde zullen verminderen ... dewijl niemand, tenzij
daartoe gedwongen, zich gaat vestigen in de nabijheid van eene
leerlooijerij om de eene of andere affaire uit te oefenen of stil te leven
... dat er buitendien voor de oprigting van bedoelde leerlooijerij eens
niet zoo groote behoefte bestaat, vermits hij(Harm H.) deelhebber is geweest van eene op eenigen van de geprojecteerde
staande leerlooijerij, waarvan hij zijn aandeel aan anderen heeft laten
varen en hetwelk had kunnen behouden, welke looijerij staat op een niet
onmiddellijk door huizen omgeven standpunt ... verzoeken, dat ongunstig
omtrent de aangevraagde concessie moge worden gerapporteerd".
Harm
H. trachtte schriftelijk de bezwaren te weerleggen, als volgt: "dat
de weduwe 'Harm Koops wel degelijk een leerlooijerij uitoefent ... dat de
weduwe Harm Koops het bedoelde perceel heeft verhuurd en zelf naast haar
eigen leerlooijerij is gaan wonen ... dat eene leerlooijerij geen
walgelijke stank oplevert of verspreidt en ook geen onreinheden ... dat
mijns inziens de perceelen niet in waarde zullen verliezen... en er andere
looijerijen ook in nog meer bevolkte wijken staan ... dat de aanvrager wel
degelijk behoefte heeft aan een leerlooijerij om reden hij er geen bezit
... dat het kan zijn dat de weduwe Harm Koops bang is voor de concurrentie
en dat Harm Douwes er belang bij kan hebben om reden hij toeziende voogd
is over de minderjarige kinderen van de weduwe Harm Koops".
Op
3 mei 1876 werd in een openbare
zitting van het Gemeentebestuur in het gemeentehuis van Veendam
"gelegenheid gegeven tot het inbrengen van bezwaren tegen het
oprigten van eene leerlooijerij, waartoe vergunning is verzocht door
Harm Hoetjer”
Gerard
Berends Kolk als,eigenaar, Jakob Wolrich als huurder van landerijen en Jan
Hetze als eigenaar voerden als bezwaar aan 'tegen het maken van eene
spoelplaats ten dienste der leerlooierij in de nabijheid van de Oude AE op
grond, dat het water daardoor ongeschikt zou worden om door het vee in de omringende weiden te worden gebruikt”. Harm Hoetjer was
ook ter zitting aanwezig. Hij
zei onder meer "dat in
gewone tijden van de Oude AE geen gebruik
kan worden gemaakt, daar er geen water genoeg is en dat het water
er niet zoo erg door bedorven wordt ... dat de leerloojer Schuring het
water van zijne looijerij evenzeer in de Oude
AE afvoert zonder dat dit bezwaar voor de belendende eigenaren oplevert'.
De
klagers bleven volharden in hun bezwaren.
Daarop zei Harm H. af te zien van zijn plan een spoelplaats voor de
leerlooijerij aan te leggen in de Oude AE,.
Hij zou een andere plaats gaan zoeken. Het Gemeentebestuur van
Veendam nam vervolgens het besluit de vergunning tot het oprichten van een
leerlooierij te weigeren.
Enige
tijd later, op 2 juni 1876, diende Harm H. een nieuwe gewijzigde verzoek
tot oprichting van een leerlooierij in, als volgt: "niet delende de
bezwaren van uw college tegen de oprigting
van eene leerlooijerij ... die bezwaren op te heffen door eene nieuwe
aanvrage tot uw collegie te rigten. Ondergeteekende is daarom te rade
geworden omdat hij overtuigd is, dat uw collegie gaarne de ontwikkeling
van fabrieksnijverheid bevorderd. De
bezwaren weg te nemen door eene andere plaats aan te wijzen, waarop hij voornemens is
de leerlooijerij te bouwen". De looierij zou op nagenoeg
dezelfde plaats worden gebouwd, nu verder van de openbare weg en de
huizen. En vervolgt:
"dat uw collegie doordrongen zal zijn van de waarheid dat zonder
nijverheid eene 'maatschappij niet kan
bestaan. En is dit in
het algemeen waar, het is in het bijzonder
waar in deze gemeente,
waarbij het verloopen van een hoofdtak van bestaan de scheepvaart,
de fabrieksnijverheid geroepen is, dit gemis aan te vullen.
Gelukkig de ondernemingsgeest der ingezetenen dit gevoelt en die
nieuwe bron van welvaren tracht te openen, doch niet te ontkennen is het,
dat dit geschiedt te veel in eene rigting, waarvan het gevolg is, dat de
bloei dezer gemeente teveel afhankelijk is van het gelukken of niet
gelukken van die enkele tak van fabrieksnijverheid (de
aardappelmeelfabrieken). Hoe meer
verscheidenheid in het fabrieksswezen des te vaster is de band, waarop het
welvavan deze gemeente rust. Dat
uw collegie ook hiervan doordrongen is, hieraan twijfelt de
ondergeteekende niet. Met vertrouwen verwacht dan hij eene gunstige
beslissing dit verzoek".
Op 12 juni 1876 verzond Harm H. nog een brief naar het Gemeentebestuur,
waarin “a eene naauwkeurige beschrijving
van de leerlooijerij ... hetgeen in die inrichting zal worden
verrigt, vervaardigd of verzameld is duidelijk genoeg en betrfet enkel het
looijen ... terwijl van eenig
ander beweegkracht dan gewone handenarbeid geen sprake is ... b
eene plattegrondteekening... Ik vlei mij echter, dat na deze aanvulling
mijne vernieuwde aanvraag ... deze inrigting in het belang der nijverheid
een gunstig onthaal bij uw collegie zal mogen vinden".
De
gebruikelijke procedure werd weer gevolgd.
Er waren wederom bezwaren van Harm Douwes en Aafien Koops-Hoetjer,
bestaande uit de nabijheid van de leerlooierij aan hun percelen, de reuk
en -nu ook het graven van een sloot of vijver.
Aafien voerde nog aan, dat de boedelscheiding en liquidatie van de
ontbonden firma Hoetjer en Koops nog moest
plaatsvinden.
Harm Hoetjer weerlegde de bezwaren in zijn brief van 3 juli 1876.
Over de stank zei hij nog het volgende: "wat punt II betreft
houdt kant nog wal, de (aardappel)meelfabrieken verspreiden reeds zooveel
reuk en walgelijkheid, dat indien een leerlooijerij zulk(s) doet, het
eerste veel nadeliger wordt geacht voor de gezondheid ... Zou men dan niet
moeten denken aan iets anders dan bevordering van volksgezondheid de
waarden der gebouwen verminderd? Het
ware te wenschen, dat in onze gemeente nog meer takken van nijverheid
worden uitgeoefend, want industrie bevoordeelt een plaats maar schaadt
haar niet".
|