|
Stefanus (1760-1865) en Schuring (1865-1891)
In de Groninger Veenkoloniën en de
Stad Groningen hebben vele leerlooierijen gestaan. Zij werden gesticht
in een gebied, waar om de stad het veeteeltbedrijf werd uitgeoefend en
in de Veenkoloniën het gemengde boerenbedrijf was ontstaan. Schoon
water was er voldoende te vinden. Het merendeel produceerde leder voor
de schoenmakerijen.
Met de opkomst van de industrie in deze streken na 1860 is een enkele
leerlooierij overgegaan tot lederproductie voor industriële doeleinden,
de drijfriemen. Verder was de handel in en de verwerking van leder niet
onaanzienlijk. Op de duur produceerden de overgebleven leerlooierijen
geen leder meer, omdat nylon en rubber betere en minder bewerkelijke vervangingsproducten
bleken te zijn. Deze ontwikkeling viel pas na 1950 te constateren.
Voorzover bekend is het laatste leder voor industriële doeleinden
omstreeks 1960 in deze regio vervaardigd. Overigens werden de
drijfriemen niet van de huis van het Hollandse rund gemaakt, maar van
het geïmporteerde Amerikaanse rund, speciaal de buffel. Het Hollandse
rundleder bleek niet zo geschikt voor riemen.

De lederen drijfriemen werden o.a. in de aardappelmeel- en strokartonindustrie
en de houtzagerijen gebruikt. Nu zijn deze door de nylon- en
rubberdrijfriemen vervangen.
In oude tijden bestond een leerlooierij uit een schuur met daarin en
daarbuiten de kuipen. Het hele looiproces was verspreid over de kuipen.
In de schuur werd het leder afgewerkt en tot een bepaald product
verwerkt. In het bij de schuur staande woonhuis was veelal de winkel en
het kantoor ondergebracht.
Met de invoering van de elektriciteit en de machines verloren de kuipen
een deel van hun functie. Een aantal behandelingen van de huis kon door
roterende kuipen worden verricht. Nieuwe machines namen veel handwerk
over. Een looierij kon uitgroeien tot een ware fabriek.
Over omvang en vermogenspositie van een leerlooierij is weinig bekend.
Enkele 19de eeuwse belastingen verschaffen enige informatie. Kuipen en
knechten waren waardebepalende elementen. Aangezien leerlooierijen
familiebedrijven waren, was het bedrijfsvermogen teven het familievermogen.
Een enkel bewaard gebleven administratie of inventaris van een
leerlooierij kan ons iets over de omvang en waarde vertellen.
Stefanus (1760-1865)
De vermoedelijk oudste
leerlooierij moet omstreeks 1760 aan het Boven Westerdiep in Veendam
door Jan Harms Stefanus zijn gesticht. Deze zal uit een kleine schuur
met een aantal kuipen hebben bestaan. Het leder produceerde hij voor
zijn schoenmakerij. Hij was leerlooier en schoenmaker.
Aldus is gebleken uit een inventarisatie van al zijn goederen, opgemaakt
na zijn overlijden in 1788. Behalve eigenaar van een huis en een tuin en
een looischuur was hij eigenaar van enige stukken land aan het Boven
Westerdiep en verhuurder van een praamschip.
Zijn vermogen had een
waarde van ruim 2000 gulden.
Zijn zoon Harm Jans Stefanus zette in 1788 het leertouwers- of
leerlooiersbedrijf op dezelfde voet voort. In 1815 verplaatste hij het
bedrijf naar een ander deel van het Boven Westerdiep. Op 31 januari 1815
kocht hij als 'meester leerloijer' in Veendam van Bernardus Kardas,
pastoor te Kleinemeer onder Hoogezand en consorten, een huis met twee
tuinen, een schuurtje en plusminus 3,5 hectare bouw- en weideland, alles
aan het Boven Westerdiep 926 wegzijde te Veendam voor 2000 gulden. Dat
schuurtje werd de looischuur of leerlooierij van Stefanus. In 1830
bijvoorbeeld was de leerlooierij van Stefanus een bedrijf met 11 kuipen
en 1-3 knechten. Ook Harm J. Stefanus was praamverhuurder en eigenaar
van ruim 10 hectare bouw- en weideland. In 1860 overleed hij en werd
opgevolgd door zijn zoon Jan Harms Stefanus.
Hij erfde 'een huis met
afzonderlijke schuur, zijnde de looierij, tuin en afzonderlijke tuin
daarachter en boomgaard met nog een huis en tuin, alles aan het Boven
Westerdiep wegzijde in Veendam, tevens plusminus 6 hectare groen- en
bouwland gelegen tegenover de looierij aan het Boven Westerdiep
landzijde mede aldaar'.
In deze periode had de leerlooierij van Stefanus 16 kuipen in bedrijf.
Jan H. Stefanus heeft slechts vijf jaar het bedrijf uitgeoefend, toen
hij de boerderij aan Jan Schuring verkocht. Hij ging rentenieren. Met
zijn enige zoon Harm, die landbouwer aan het Boven Westerdiep landzijde
was, nam hij indirect nog deel aan het landbouwbedrijf. Zij behoorden
tot de kleine groep welgestelden van Veendam. Het familievermogen werd
op ruim 150.000 gulden geschat. Met het overlijden van Harm Stefanus in
1929 is deze familie uitgestorven.
Schuring (1865-1891)

Een leerlooierij omstreeks 1870
Op 30 november 1865 verkocht
Jan H. Stefanus aan Jan Schuring, leerlooier te Oude Pekela, 'een huis
met afzonderlijke schuur, zijnde de leerlooierij, tuin en een
afzonderlijke tuin met boomgaard, met daarachter een kamp groenland,
alles groot ruim 1 hectare en gelegen aan het Boven Westerdiep 926
wegzijde in Veendam voor 5000 gulden'. Op voornoemde datum huwde Jan
Schuring de enige dochter van Jan Stefanus, Grietje. Zij gingen bij de
leerlooierij wonen.
De leerlooierij van Schuring ging van start met 18
looikuipen en 1-9 knechten. Jan Schuring was ook koopman en winkelier in
lederproducten.
In 1866 overleed Grietje Stefanus. Twee jaren later hertrouwde Jan
Schuring met Jandina Hoetjer, wier beide broers in 1868 vlak tegenover
de de looierij van Schuring de leerlooierij van Hoetjer en Koops hadden
gesticht.
De oorzaak van de opheffing van de leerlooierij van Schuring is
vermoedelijk geweest het feit, dat Jan Schuring na 1885 ziek werd, aan
welke gevolgen hij in 1891 is overleden; en dat zijn beide zonen Alerte
en Gerrit andere interesses hadden. Nadat zij met hun moeder de weduwe
Jandina Schuring-Hoetjer en hun beide zusters Geerdina en Jantina in
1899 naar Rotterdam vertrokken, beginnen zij daar een zaak in
scheepsvictualiën aan de Boompjes.
In 1890 verkocht Jan Schuring een groot gedeelte van de inventaris en producten
van de looierij, zoals gereedschappen, het zoolleder, het zwarte
overleder en het tuigleder. Omstreeks 1899 werd de leerlooierij met
annexen door de erven Jan Schuring verkocht.
|